Natuur en onderwijs in Madagaskar

Madagskar. Het meest bijzondere en het oudste eiland op Aarde. De planten, dieren en mensen zijn anders dan ik ooit heb gezien of meegemaakt. De Baobabs torenen boven alle andere planten uit, terwijl hun stammen steeds breder worden om zoveel mogelijk vocht in zich op te nemen voor drogere seizoenen. Maki’s springen van boom naar boom (tot wel 10 meter ver!) om vervolgens te zonnebaden, terwijl de leaf tailed ghecko zich onherkenbaar verstopt tussen de bladeren.

En dan de mensen. Madagaskar heeft vastgezeten aan Afrika, India en Arabië. Dit is terug te zien in de mensen tot op de dag van vandaag. In het noorden wonen mensen die veel weghebben van Arabische mensen. In centraal Madagaskar, waar de verschillende stammen met name rijst verbouwen, doen de mensen Aziatisch aan. In het Zuiden worden de mensen donkerder en lijkt ook de natuur meer op de savanne en steppe zoals ik ken van de plaatjes uit het continent Afrika.

Onze reis ging van centraal Madagaskar naar het oosten, om vervolgens via de RN7 naar het zuidwesten te rijden. Van regenwouden tot woestijn. Van dagen regen in Ranomafana tot felle zon aan de Straat van Mozambique. Kiki was onze chauffeur en gids gedurende deze reis en heeft ons verteld over de geschiedenis, de verschillende stammen en over de flora en fauna van Madagaskar. Tijdens een autorit, reden wij door verschillende kleine dorpjes. Het was marktdag in een dorpje, waarvan de chauffeur de naam niet kon vertellen, en we besloten uit te stappen. Kiki ging met ons de markt op, om uit te komen bij Hira Gasy. Hira Gasy is een verhalenverteller, die in het moderne Madagaskar, met name tijdens schoolvakanties, van marktplein naar marktplein trekt om verhalen te vertellen. Dit doet hij door middel van drama, zang en dans. De verhalen gaan over goed en kwaad en er zitten belangrijke levenslessen in.

Kiki vertelt ons dat Hira Gasy vroeger, voor de Franse kolonisatie die tot 1960 duurde, de enige vorm van onderwijs was in Madagaskar. Kinderen kregen toen niet tijdens schoolvakanties, maar elke week als het market day was, de gelegenheid om te luisteren naar de levenslessen die de Hira Gasy vertelde. Het was het enige dat ertoe deed. Immers, 90% van de bevolking in Madagaskar is boer, dus normen en waarden zijn belangrijk, maar andere schoolse zaken zijn niet van belang. De meeste Malagassen zijn zich er niet eens van bewust dat ze op een eiland wonen! Nog steeds gaat lang niet iedereen naar school. Hoewel onderwijs van 6 tot 11-jarige leeftijd verplicht is, wordt dit nauwelijks nageleefd. Ongeveer de helft van de bevolking gaat naar de lagere school (en kan dus lezen en schrijven) en maar 1% gaat naar de universiteit. Madagaskar heeft in de hoofdstad een eigen universiteit, die zich vooral bezighoudt met het beschermen van de natuur en hoe toerisme daarin een belangrijke geldbron kan zijn.

Hira Gasy

Hira Gasy, de oudste vorm van onderwijs op Madagaskar

Momenteel is er nog maar 10% over van het oorspronkelijke regenwoud in Madagaskar. Vele dieren die wij hebben mogen zien en horen, zoals de indri en de sifaka’s, zijn bijna uitgestorven in het wild. Er leven er nog maar een paar honderd tot een paar duizend van. Dit heeft te maken met het bedroevende onderwijs dat gegeven wordt. Toch lijkt er steeds meer aandacht gegeven te worden aan duurzaamheid. Zo zien we dat een nieuwe belangrijke energiebron wordt gebruikt: de zon. Hutjes van modder en klei worden op het dak versierd met een zonnepaneel, vaak gesponsord door een goed doel of een rijke ‘vasaha’ (blanke, rijke stinkerd). Hierdoor is het omkappen van bomen steeds minder noodzakelijk. Hopelijk kan door middel van kwalitatief goed onderwijs de unieke flora en fauna beschermd worden van het dodelijkste op Aarde: de mens.

Madagskar is een prachtig land. De ervaring is niet te beschrijven en is met niks te vergelijken.  Madagaskar verdient goed onderwijs en goede voorlichting over het behouden van zijn unieke karakter. Dat wij nog een keer terug zullen gaan, is een feit.

Advertenties

Ouders en juf.

Vandaag kreeg ik een telefoontje van een moeder van een leerling. Na een gesprekje over de vakantie die eraan komt, vertel ik dat de kans groot is dat haar zoon volgend jaar niet meer bij mij in de klas komt. Haar zoon, die drie jaar (groep 1, 2 en 3) bij mij onderwijs heeft gevolgd, krijgt volgend jaar een andere juf of meester. Ik vertel het nieuws en ze reageert door de telefoon met verbazing: “Hij krijgt niet meer u als juf?”
Ik antwoord: “Nee, ik verwacht dat hij een andere leerkracht krijgt”.

Het is even stil aan de andere kant van de lijn. Dan begint deze moeder, van wie ik het niet verwachtte, met gebroken, zachte stem te praten. “Maar juf, u bent zo goed voor mijn zoon. En voor mij. U bent zo’n fijne juf. Ik hoop dat hij toch volgend jaar bij u in de klas komt. Jij bent zo’n lieve schat. Ik zou u willen voor mijn zoon tot groep 8, lieve schat.”

Ik ben verbouwereerd. Ik ken deze moeder al een tijd, maar zag haar niet als de moeder met wie ik een enorm goede band heb, in ieder geval niet beter dan met andere ouders. Een moeder die je af en toe belt om bij te praten en een extra belletje geeft als er iets aan de hand is. En zij belt mij, als haar kind iets vertelt en moeder meer wil weten over hoe de schooldag is gegaan. Moeder en ik zien elkaar alleen op de momenten dat het echt moet. Een paar keer per jaar maar. Moeder heeft gezondheidsproblemen, dus komt met moeite naar school. Om die reden heb ik afgelopen jaar, en de jaren ervoor, altijd met plezier huisbezoeken ingepland om elkaar te zien.

Moeder vraagt of ik morgen ook nog even langs wil komen. Dan kunnen we nog een keer praten voordat de vakantie start. Ik bedank haar heel vriendelijk voor alle complimenten en het raakt mij dat ze zelfs in persoon ‘afscheid’ wil nemen voor de vakantie. Echter kan ik morgen niet en moeder begrijpt ook direct dat het misschien teveel gevraagd is. Ik stel haar wel voor om voor de vakantie nog even een keertje te bellen.  En straks, als zij in het nieuwe schooljaar een keertje op school is, druk ik haar op het hart dat ze gerust bij mij binnen mag komen lopen om bij te praten.

Net als alle andere ouders. De ene ouder is gewend dat zijn kind elk jaar een nieuwe leerkracht krijgt, de ander moet eraan wennen of maakt het voor het eerst mee. Ik moet denken aan een leerling van wie ik vorig jaar bij het afscheid allerlei afscheidscadeaus kreeg met opgedrukte teksten. Ook daar vloeiden tranen. Er werd zelf gezegd: “Ik heb maar gewoon heel veel cadeaus gekocht. Ik weet anders ook niet hoe ik je moet bedanken. Jij hebt ervoor gezorgd dat mijn kind weer met plezier naar school gaat.” Na zo’n compliment moet ik even slikken, het raakt je. Juist bij ouders die in eerste instantie de hakken in het zand staken omdat hun kind naar het speciaal onderwijs moest, zijn de ouders die aan het eind van het jaar het meest dankbaar blijken. En ook de ouders die jou en je collega’s indirect complimenteren met: “Knap hoor wat jullie doen hier, ik zou het niet kunnen met een groep van deze leerlingen” doen mijn hart smelten. Want het zijn juist deze leerlingen en hun ouders die je zo blij kunnen verrassen. Zoals vandaag.

juf-juul

Een (typische?) dinsdagochtend

Het is dinsdagochtend, half 9, en de klas is al onrustig voordat ik zelf goed en wel met mijn kop koffie in de groep aanwezig ben. De kinderen moeten werk verbeteren en anders werken in een werkboekje.  Maar ik voel de onrust. Er is weinig concentratie bij mijn groep 3-ers op het werk en veel concentratie op elkaar. Concentratie die aan het uitmonden is tot frustratie en conflict. Kinderen staan op, raken elkaar aan, praten onvriendelijk en lopen (rennen, rollen) door de groep. Ik laat het even op zijn beloop, ga vooraan in de klas op de instructietafel zitten en kijk. En luister. Tot ik merk dat mijn eigen hartslag verhoogt. Ik kijk op mijn fitbit en zie een hartslag van 98 staan. “Fat burn”, staat ernaast. Ik irriteer me. Het teken om actie te ondernemen.

Met een klap in mijn handen, vervolgens een vinger naar mijn lippen ter stilte en daarna het wijzen naar het rode stoplicht op het bord, heb ik zonder een woord te zeggen alle kinderen stil. Ik gebaar een enkeling nog om ook daadwerkelijk op de stoel te gaan zitten en begin dan met praten. Op fluistertoon.

“Doe je werkboekje maar dicht, ruim je potlood op en kijk even mijn kant op. Deze ongezellige gekkigheid heb ik geen zin in vandaag.” Hoewel een enkeling nog last lijkt te hebben van zijn impulsen en een strenge blik toegeworpen moet krijgen, ruimt iedereen zijn tafel op. Ze zitten klaar in de luisterhouding en kijken vol verwachting mijn kant op. Zal de juf een preek geven? Zal ze boos zijn? Zal ze straf geven? En is die straf dan voor iedereen of alleen voor de kinderen die zich niet aan de regels hielden? Hoe lang zullen we stil moeten zitten?

Ik twijfel zelf over al die vragen terwijl ik met mijn strenge juffenblik mijn klas in kijk. Ik besluit het roer om te gooien. “Goed”, zeg ik, om mijzelf nog even wat extra seconden te geven om na te denken. “Het is me nu helemaal duidelijk. Wij moeten oefenen met vriendelijk samenwerken.” Ik loop naar de kast achterin de klas en tover de ipads tevoorschijn. Er gaat een golf van verbazing door de klas. De ipads, dat hadden ze niet zien aankomen!

Op het bord schrijf ik drie softwarespellen van de methodes, zogenaamde ‘leerspellen’ zoals ik dat met de groep genoemd heb, op het bord. We bespreken welk vak je oefent met welk spel en wat verstandig is om te spelen. En dan gaan we het gesprek aan over het sociale aspect. Samenwerken. Want er zijn 5 ipads, 1 computer en twaalf cluster 4 jongentjes. Hoe moeten we dat aanpakken?

“Met twee op een ipad en twee op de computer,” zegt een jongen meteen. Maar hoe doe je dat dan? De kinderen komen met allerlei oplossingen. Een oplossing is om beurten een spel spelen of om beurten bijvoorbeeld 5 minuten spelen, die ze bij kunnen houden op het digibord. Een andere jongen komt met een creatieve oplossing “Ik werk op groep 4 niveau en hij zit pas net in groep 3 dus ik zou voor hem een spel voor kunnen doen en dan kan hij het daarna zelf!”

Ik laat de kinderen onder mijn toeziend oog tweetallen maken. Ze gaan direct op een gemotiveerde wijze aan de slag. Er wordt geleerd en er wordt vooral gelachen en plezier gemaakt. Mijn klas is weer blij en ik voel me een trotse juf, met een gezonde hartslag.

De rest van de ochtend? Meer samenwerken! Allerlei leermaterialen worden al samenwerkend ontdekt. Dat werkboekje laat ik voor nu even zitten. Volgens mij hebben ze deze ochtend veel meer geleerd.

juf-juul

Ik heb een juf in Marokko en die komt, hiep hoi!

Een maand geleden kwam ik terug van mijn reis door Marokko. Als ik op maandag de klas binnen stap, krijg ik van een jongen van 8 te horen “Wat bent u mooi met een kleurtje!”. Ik krijg een dikke knuffel en een “Ik heb je gemist”. Het klopt, in de voorjaarsvakantie heb ik een kleurtje opgedaan. Ik leg hem uit dat ik op vakantie ben geweest naar het land waar hij ook elke zomer naar toe gaat. Hij kijkt verbaasd. “Marokko? Maar u komt daar helemaal niet vandaan.” Beduusd gaat hij aan het werk.

Met de groep hebben we een gesprek over landen en steden. Ik zet een wereldkaart op het bord en wijs Nederland aan. “Het is wel heel erg saai klein, juf”. “China is groot, dat weten we!”, reageert een andere jongen. En dan zegt het jongetje van 8: “Waar ligt Marokko eigenlijk?”

We bekijken waar het land ligt en op welke manieren je er allemaal kan komen, per auto en boot of per vliegtuig. We bespreken andere landen waar kinderen vandaan komen en welk voertuig er voor nodig is om daar te komen. Dan vraagt een leerling: “Heeft u foto’s?”

De komende weken hebben we het elke dag bijna een uur over Marokko. Aan de hand van enkele foto’s raken we in gesprek, leren we te omschrijven wat we zien en breiden we onze woordenschat uit. Als eerst hebben we het over Marrakech. Een stad die mijn hart heeft gestolen en inmiddels die van de kinderen uit mijn groep ook. De kleurrijke Medina laat heel wat monden open vallen. Kinderen vertellen wat ze zien en stellen vragen. De ene foto is nog leerzamer dan de ander. De jongen van 8 vraagt of ik ook altijd slaap op de plek met een gouden leeuw in de tuin, iets waar hij schijnbaar geregeld verblijft als hij naar Marokko gaat. Ik leg hem uit dat ik voor het eerst in Marokko was en misschien op andere plekken ben geweest dan hij. Een gouden leeuw in de tuin, ben ik in ieder geval niet tegengekomen. Hij laat een lichte teleurstelling zien. “Ja, maar de gouden leeuw…”, mompelt hij nog.

P1010836

We bekijken de route op de kaart van Marokko, door het Atlasgebergte heen. De kinderen zien sneeuw op de bergtoppen. We bespreken wat de woestijn en wat een oase is. “In de woestijn is het altijd heet!” zegt een jongen. Hij kijkt verbaasd als ik hem laat zien hoeveel kleding ik aan heb als het nacht wordt, omdat het ’s nachts tegen het vriespunt is. We praten over het tentenkamp waar ik sliep en de geweven kleden van kamelenwol waar ik onder sliep. Ik zie een aantal kinderen wegdromen. Ik vind het fantastisch. En de kinderen ook.

Lange tijd gaat het gesprek over de karavaan. De kinderen zien een stoet dromedarissen en een leerling herkent mij op de foto. “Dat ben jij!”
“Waar?!” reageren andere kinderen. Ze lijken nog steeds niet helemaal te geloven dat ik ‘echt’ in Marokko ben geweest. Zelfs als ze mij springend in de woestijn met mijn Juf-trui zien, blijft het onwerkelijk voor ze.

In de uren die wij dromend over Marokko hebben doorgebracht, hebben we veel mooie momenten meegemaakt. Hier een aantal op een rijtje:

*De kinderen zijn in de ban van de mini-krokodil, waarvan we tot de conclusie komen dat het een kameleon is. Lastig, want we hebben het ook over kamelen gehad en die woorden lijken erg op elkaar. En dan heb je ook nog de dromedaris…

* “Jouw moeder is niet echt oud, juf.” Ik was inderdaad op reis met mijn moeder en we staan een aantal keer samen op de foto. Steek het compliment maar in je zak, mam!

* “Hiep Hoi! Dat is van een Marokkaans liedje, juf.”

* Een leerling vindt dat Marokko wel erg dichtbij ligt als hij naar de wereldkaart kijkt. Het vliegtuig pakken is echt onzin!

* China is groter en daardoor blijkbaar interessant. Meerdere leerlingen doen de wens of ik daar niet foto’s van wil laten zien.

* Marokkaanse thee is favoriet en over Marokko praten kan natuurlijk niet zonder. Jammie!

Als iemand die van reizen houdt, die graag andere culturen leert kennen en de geur van vreemde steden opsnuift, is er niks leuker dan deze liefde te delen met kinderen. En als zij met open mond luisteren en elke dag vragen naar ‘meer’, besef je pas hoe leerzaam het is om groepsgesprekken te voeren over verschillende culturen en achtergronden. Aanrader!

P1010917

 

En dan heb je ineens tijd over…

Het is tien over half 11. In de kleedkamer is het doodstil. Negen ZMOK mannetjes zitten naast elkaar met hun voeten stil, mond op slot en handen vast. Ze doen perfect wat ik vraag. Té perfect. Met het resultaat dat ik nog tien minuten tijd moet doden voor de gymles daadwerkelijk begint. Een luxe die ik lange tijd niet heb gekend en ik moet dan ook graven in mijn geheugen naar een activiteit om de komende tien minuten deze fijne sfeer te behouden. En dan begin ik: *klap* *knie* – *klap* *knie* *klap* *knie*. Binnen twee keer doen de kinderen mee. Allemaal lachende gezichten kijken mijn kant op en het blijft doodstil. De grijnzen worden nog breder als ik ineens verander naar *klap* *klap* *knie* – *klap* *klap* *knie*. Terwijl ik dit doe kan ik de kinderen verbaal en met mijn mimiek complimenteren. “Wauw, wat kan jij dit goed”, “Wat let jij goed op hoe ik precies klap” en “Wat doe jij goed mee!” zijn voorbeelden van deze complimenten. Er is ook een jongen die ik aan moet spreken. Dit onverwachte klapspelletje lijkt hem te veel en hij begint te lachen als een geit en klapt in het wilde weg met zijn handen en op zijn knieën. Terwijl ik blijf klappen met de kids, spreek ik hem aan met de keuze: “of je doet serieus mee, waarbij je best een klapfoutje mag maken of je kijkt en luistert mee”. Hij kiest voor het laatste, wat prima is natuurlijk.

Als ik de variatie nog moeilijker maak, besluit ik verbaal te ondersteunen met woorden. Woorden die de kinderen net hebben geleerd met lezen. In plaats van dat we alleen *klap* *klap* *knie* horen op onze lichamen, horen we daar nu de woorden “mug mug saus” bij. Naast de klap in de handen en de klap op de knie, doe ik daarna ook een knip in mijn vinger bij. Ik kies voor het woordje “jeuk” omdat de eu-klank lastig blijft voor de groep. In totaal weten we er acht minuten mee door te komen. Ik stop de groep met een stop-teken dat de kinderen kennen en het is direct stil. De klas vindt het geweldig. We bespreken de klanken van de woorden die de kinderen geleerd hebben (de tweetekenklanken eu en au, het verschil met de ou van hout en de medeklinker g). En dan is het tijd voor de gymles, die op een goede manier kan starten.

Er zijn allerlei spelletjes die wiebels uit de groep kunnen halen of die je kan doen als je een paar minuten over hebt. Simpele spelletjes die we allemaal kennen en kunnen uitvoeren. Mijn top 5 favorieten zet ik op een rij:

1.       Hoofd, schouders, knie en teen, een eeuwige favoriet. Dit heeft ook te maken met de mogelijkheid tot eigen inbreng. Denk aan “schoen, t-shit, broek en trui” of “staan, zitten, spring en buk”. Eindeloze variaties mogelijk!

2.       Een tip van mijn vriendin en collega, juf Lisa, is Just Dance. Op youtube zijn veel voorbeelden, ook specifiek van Just Dance Kids te vinden, die de kinderen mee kunnen dansen. Ook de hits van bijvoorbeeld Kinderen voor Kinderen doen het goed. Wel even van te voren instrueren dat de kinderen niet alleen maar rennen door het lokaal, maar dat het echt de bedoeling is na te dansen wat op het filmpje gebeurt. Dit voorkomt enige chaos. Super leuk!

3.       Ik heb ooit een spelletje gemaakt van het gooien van propjes. Een aantal leerlingen wilde telkens propjes in de prullenbak gooien en zij misten continu. Nu kan ik de zeurende juf spelen die dit verbiedt of ik denk de situatie om… Tijd om te oefenen dus! Om die reden zorg ik per groepje voor een prullenbak, krijgt elk groepje een stapel papier uit de papierbak en mogen ze gaan oefenen met gooien. Zijn de propjes van de groep op? Alle missers oprapen en opnieuw proberen! Het groepje dat als eerste alle propjes in de prullenbak gooit, is de winnaar. De kids vonden het zo leuk, dat ik het meerdere malen herhaald heb.

4.       “Simon zegt” blijft ook altijd goed, alhoewel ik hier altijd  “Juf zegt” van maak. Hier wordt ook meteen het luisteren geoefend en ook dit biedt eindeloze mogelijkheden in hoe groots je het wil maken. Hou je de kids aan tafel? Dan zal je juf/meester zegt daar om draaien met bijvoorbeeld ‘pak je potlood’ of ‘teken een zon’ (tip: je kan ze enorm leuke tekeningen laten maken!). Wil je de kinderen lekker laten bewegen? Zet je ze staand achter hun tafel en gaan je opdrachten over springen, zwaaien en squats.

5.       Dit jaar geef ik les aan groep 3 en een groot deel van de klas kan woorden wel hakken, maar hebben moeite met plakken. Ook dit doe ik graag in spel- of bewegingsvorm. Hoe? Simpel! Er mag niet gepraat worden, kinderen moeten laten ZIEN welk woord ik hak. S-T-AA-N, zorgt voor een klas die staat. L-OO-P, S-P-R-I-NG, B-U-K zijn andere voorbeelden. Maar ook hak ik S-T-OE-L, waarbij kinderen gaan zitten of hun stoel aanwijzen of B-OE-K, wat voor verschillende reacties zorgt zoals het wijzen naar de klassenbieb of het pakken van een boek uit het laatje. Uitvoering van de kinderen varieert en dat maakt dit spel nog een beetje leuker.

Er zijn nog veel meer (bewegings)spelletjes om tussendoor met de kinderen te doen. Andere vijf-minuten activiteiten die ik veel doe zijn voorlezen, Squla, een liedje zingen of een complimentenrondje. Vijf minuten over hebben is leuk!

juf-juul

De autonome juf

Nemen methodes de rol van de leerkracht over? Naar mijn mening wel. Of in ieder geval, te veel. Ik heb het zelf mogen ondervinden. Als kleuterleerkracht gaf ik methodelessen die een half uur per dag in beslag namen. Met de dagelijkse zaken die hier ook bij kwamen, kwam je misschien uit op een uur methodisch gericht leren per dag. De rest van mijn tijd als kleuterjuf, besteedde ik aan thematisch gericht leren en inspelen op de nieuwsgierigheid van de leerlingen. En natuurlijk hun gedrag, het is immers cluster 4. Vertrouwen in mijn rol als leerkracht die inspeelt op waar de leerling behoefte aan heeft. Ik voelde mij autonoom

Autonoom betekent eigenlijk onafhankelijk zijn, het gevoel hebben zelf iets te kunnen. Omdat ik als kleuterleerkracht een groot deel van de dag zelf in kon vullen, kon ik doelgericht werken aan precies dat waar de leerling behoefte aan had. Ik had vrijheid om hierin keuzes te maken en twijfelde geen moment aan mijzelf of ik de goede keuzes maakte. De ene leerling leerde letters, de andere leerling was druk met de telrij. Een groep 1 leerling speelde en zette daarbij de auto’s op volgorde van groot naar klein. Ik zorgde voor het juiste materiaal bij de juiste leerling. Ook merk ik nu nog het effect van thematisch werken. Het thema China was overal in de klas te vinden. In de bouwhoek werd de Chinese muur nagebouwd, in de huishoek was een Chinees restaurant met menukaart en echt Chinees geld. In de schrijfhoek oefenden we Chinese karakters en er werd gezongen en geknutseld over de Chinese cultuur. Ook thema’s als ‘de letterwinkel’, ‘bouwen’ en ‘bloemen in de lente’ zijn bij alle kinderen nog steeds, zeker een jaar later, bekend. Kinderen weten nog precies welke thema’s er behandeld zijn en kunnen er nog steeds over vertellen. Er was ruimte voor het kind. De kleuter. En toen…

Toen stond ik voor groep 3. Iets wat ik zelf graag wilde. Het ‘echte’ lesgeven vind ik fantastisch! Maar ik merk ook iets anders. Nu zit ik namelijk vast aan de methode met een handleiding waar letterlijk staat: ‘U vertelt de kinderen: “We leren vandaag de i van ik”.’ Ik voel meteen weerstand. Ik bepaal toch zeker zelf wel wat ik de kinderen vertel! En dan komt die onzekerheid. Want, als ik niet precies doe wat hier staat, leer ik de kinderen dan wel het goede aan? Sluit mijn les dan wel aan op de taal- en spellingmethode die zij volgend jaar krijgen? Wat nou als zij in een eindgroep komen en blijkt dat de basis (lees: groep 3) niet naar behoren is? Autonoom voel ik me al snel niet meer.

Het is toch eigenlijk raar dat ik vier jaar een opleiding tot leerkracht heb moeten volgen, om vervolgens voor te moeten lezen uit een methode. Begrijp mij niet verkeerd, ik neem aan dat iedereen dit soort letterlijke zinnen met een korreltje zout neemt en er toch in ieder geval zijn eigen draai aan geeft, maar toch mis ik iets. Ik mis het om zelf te bepalen hoe ik de lesstof aanbied en met kinderen verwerk. Ik baal ervan dat een methode bepaalt dat ik na twee dagen de ‘eu’ aanbieden, door moet naar de volgende letter. En dat terwijl de groep deze klank nog niet beheerst, maar omdat de methode dit voorschrijft. Een methode die vast met een reden zo rap door de stof gaat en om een bepaalde verwerking vraagt, maar het vraagt veel tijd, veel aandacht, veel concentratie en weinig eigen inbreng van de leerkracht of de leerling. Resultaat: gefrustreerde juf (ik bied toch precies aan wat de methode voorschrijft!) en gefrustreerde leerling (ik kan het niet, ik ken de eu nog niet en ik moet nu de ie al leren!). Cluster 4 ellende, dus. Want frustratie bij kinderen met gedragsproblemen is geen kattenpis. Nog iets om je autonome zelf mee uit te dagen.

Nu het goede nieuws: goede voornemens! Goede voornemens kan je wat mij betreft niet alleen per 1 januari, maar elke dag maken. Mijn voornemen voor de tweede helft van dit schooljaar is om wat meer lak (lees: schijt) te hebben aan de methode. Ja, ik bied de letters aan en ja, we maken de verwerking. Zoals de methode voorschrijft. Maar binnen een bepaalde tijdslimiet. Is de tijd voor de verwerking voorbij en is het niet af? Jammer dan. Er moet naar mijn mening meer tijd en ruimte voor komen voor een andere manier van verwerking dan een werkboekje dat de methode voorschrijft. Tijd voor variatie en herhaling op mijn manier. Heeft meer dan de helft van de klas moeite met de eu? Dan gaan we een eu-week organiseren. Hebben kinderen moeite met klokkijken? Dan doen we elke middag een klokkijk-kwartier waarbij we extra oefenen. Betekent dit dat we iets anders een keer niet kunnen doen? Waarschijnlijk. Maar dan worden de behoeften van de kinderen weer prioriteit. Ik kan mij weer autonoom voelen en de kinderen ook. En laat mijn autonomie nou het middel zijn en de autonomie van de kinderen het doel. Zoals de juf Juul methode zou zeggen: “U zorgt er deze les voor dat kinderen het gevoel hebben dingen zelf te kunnen”. Logisch, toch?

Juf wordt Hygge

Hygge is een manier van leven. Hygge gaat over de sfeer en ervaring die een mens kan voelen om gelukkig te zijn. Ik ben geen zweverig type, maar Hygge lijkt wel precies te passen bij wie ik ben en wat ik zou willen. Het kan omschreven worden als ‘de kunst van intimiteit creëren’, ‘knusheid van de ziel’ of ‘warme chocolademelk bij kaarslicht’. Mijn favoriete (zelf bedachte) omschrijving: ‘met een grote mok thee onder een dekentje op de bank terwijl ik door Netflix zap en een kat op schoot heb’.

Als leerkracht heb je schoolvakanties. Het romantische idee van deze vakanties is wat mij betreft best Hygge. In de vakantie kan ik plezier halen door mijn sociale, wellicht wat verwaarloosde, contacten te benaderen voor een kopje koffie in een gezellig café. Thuis voel ik Hygge als ’s winters de kerstboom met zijn lichtjes en de kaarsjes aan zijn, zorgend voor een precies goed evenwicht tussen licht en donker. ’s Zomers is Hygge meer festival en park. Het gevoel van buiten zijn en toastjes met kaas eten terwijl de zon ondergaat.

Voorafgaande aan deze kerstvakantie was ik onHygge. Ik heb stress ervaren, mij oververmoeid gevoeld en kon mijn ogen niet meer scherp stellen. Lachen lukte nauwelijks meer, behalve als iets echt grappig was. Zoals een jongen die iets nieuws proefde en een vreselijk lelijk gezicht trok. Of als ik een liefdesverklaring kreeg van een leerling die oprecht moest blozen. Maar al met al was de periode voor de vakantie zwaar en stressvol. En hoewel ik van alle kanten enorm geholpen ben om mij door die laatste weken voor de vakantie heen te slepen, was ik er klaar mee. Het was de eerste keer dat ik oprecht begreep dat leerkrachten vakantie nódig hebben. Mijn doel deze vakantie: Hygge.

Helaas begon de vakantie met een zware griep en een vlucht die gecancelled was. Very unHygge. Gelukkig kende ik deze term op dat moment nog niet, en was ik dus vooral boos, chagrijnig en snotterig. Ik was dan uiteindelijk ook erg blij dat we (weliswaar 13 uur later) toch in het vliegtuig zaten richting Denemarken. Er even tussen uit was precies wat ik nodig had.

 

20161231_171812

Tivoli Gardens, Kopenhagen. Oud en Nieuw ’16-’17

 

Het is wel bekend dat reizen iets is wat mij oprecht gelukkig kan maken. De voorpret, het daadwerkelijk iets van de wereld zien en de napret geven mij een gevoel van Hygge. Ik krijg er veel positieve energie van. Zelfs van een korte stedentrip word ik enthousiast en in dat enthousiasme kan ik nog weken blijven hangen. En laat dit nou net een mini-reisje zijn geweest die mij een nieuwe levenswijze heeft meegebracht. Het is niet voor niets dat de Denen de gelukkigste mensen op de wereld schijnen te zijn. Je voelt het als je door Kopenhagen loopt. De mensen stralen het uit. De vriendelijkheid, de lichtjes, de straatjes, de haventjes… Kopenhagen is Hygge.

Door bewust bezig te zijn met Hygge, merk ik dat ik weer zin heb om aan het werk te gaan. Vol energie mij verder verdiepen in de kindproblematiek, didactische uitdagingen aan gaan en alle administratieve stukken te schrijven. Ja, ik heb zin in alles wat de komende periode op mijn to-do lijst staat. En ondertussen? Ondertussen ga ik verder met Hygge. The Danish Way Of Living Well.

dsc_0353